Beperkte betalingstermijnen in B2B-relaties

Beperkte betalingstermijnen in B2B-relaties

Op 1 februari 2022 is nieuwe wetgeving in werking getreden die de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstanden bij handelstransacties wijzigt[1].

Deze wet voert strengere regels in ter bestrijding van betalingsachterstanden in handelstransacties, dat wil zeggen tussen ondernemingen (B2B), met als doel ondernemingen te beschermen tegen faillissementen en misbruik en hun kasmiddelen onder controle te houden.

Vroeger: De regeling ingesteld bij de wet van 2 augustus 2002, gewijzigd bij de wet van 22 november 2013

De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstanden bij handelstransacties, gewijzigd bij de wet van 22 november 2013, waarbij de richtlijnen 2000/35/EG van 29 juni 2000 en 2011/7/EU van 16 februari 2011 werden omgezet, had tot doel de betaling van facturen tussen ondernemingen te versnellen door middel van diverse maatregelen, met name het vaststellen van bindende betalingstermijnen en verhoogde  verwijlinteresten ten opzichte van de gewone wettelijke interestvoet.

Deze wet paste vanaf het begin onherroepelijk in een context van „europeanisering van het verbintenissenrecht“[2]. „Opmerkelijk is dat deze wet breekt met het traditionele denkschema – het stereotype beeld, zou men kunnen zeggen – waarin de schuldenaar stelselmatig wordt afgeschilderd als de zwakke partij die bescherming behoeft. Het is deze keer namelijk de schuldeiser die de wetgever wil beschermen tegen misbruik door machtige schuldenaren.

Deze wet en de daarin opgenomen maatregelen hebben dus betrekking op elke „handelstransactie“ in de breedste zin van het woord[3], tussen „ondernemingen[4]. Deze twee termen worden bijzonder ruim geïnterpreteerd; er dient rekening mee te worden gehouden dat overeenkomsten die een onderneming met consumenten sluit, buiten het toepassingsgebied van de wet vallen[5].

Wat de betalingstermijnen betreft, bepaalt de wet in artikel 4 dat de standaardbetalingstermijn in het kader van een contractuele relatie tussen twee ondernemingen is vastgesteld op dertig (30) kalenderdagen, te rekenen vanaf:

  • de ontvangst van de factuur of een gelijkwaardig betalingsverzoek, waarbij het tijdstip van ontvangst vrij door de partijen kan worden bepaald;
  • de ontvangst van de goederen en diensten, indien de datum van ontvangst van de factuur of een gelijkwaardig betalingsverzoek onzeker is of indien de factuur of het gelijkwaardige betalingsverzoek vóór de goederen of diensten wordt ontvangen;
  • de aanvaarding of controle waarmee de conformiteit van de goederen of diensten met de overeenkomst wordt vastgesteld, indien de wet of de overeenkomst in een dergelijke aanvaardings- of controleprocedure voorziet, en indien de factuur vóór of op de datum van de aanvaarding of controle wordt ontvangen.

De partijen hadden niettemin de mogelijkheid om een kortere of langere termijn overeen te komen, zonder wettelijk maximum — zelfs een termijn van meer dan zestig (60) kalenderdagen was toegestaan, op voorwaarde dat dit geen kennelijk misbruik vormt en, krachtens artikel 7 van de wet, dat er een objectieve reden bestaat voor de debiteur om af te wijken van de standaardtermijn.

Bovendien heeft de schuldeiser, krachtens de artikelen 5 en 6 van de wet van 2 augustus 2002, in geval van betalingsachterstand door de schuldenaar – dat wil zeggen wanneer de factuur op de vervaldag niet is voldaan – het recht om te verzoeken om:

  • de toepassing van een specifieke rentevoet, namelijk de basisrentevoet van de Europese Centrale Bank (bij haar meest recente herfinancieringstransactie) verhoogd met 8 procentpunten en afgerond naar het dichtstliggende hogere halve procentpunt; voor het tweede halfjaar van het jaar 2026 bedraagt deze rentevoet 10,5%[6] over het bedrag waarvan de betaling niet binnen de termijn heeft plaatsgevonden. Dit tarief wordt elk halfjaar herzien door de FOD Financiën. Dit recht ontstaat van rechtswege vanaf de dag volgend op de vervaldag, zonder dat een ingebrekestelling nodig is.
  • een forfaitaire vergoeding van 40,00 EUR voor de invorderingskosten. Sinds de wet van 22 november 2013 ontstaat dit recht eveneens van rechtswege vanaf de dag volgend op de vervaldag van de achterstallige factuur, zonder dat een ingebrekestelling nodig is

Elke contractuele bepaling of praktijk die de betaling van vertragingsrente uitsluit, wordt van rechtswege als kennelijk onbillijk beschouwd, terwijl de uitsluiting van vergoeding voor invorderingskosten wordt verondersteld kennelijk onbillijk te zijn.

De schuldeiser kan echter zelf niet meer rechten doen gelden dan die welke hem toekomen krachtens de wet van 2 augustus 2002 (gewijzigd bij de wet van 22 november 2013).

Ook een overheidsinstantie[7] valt onder deze regeling: dezelfde specifieke interest, namelijk de referentie-interestvoet vermeerderd met acht procentpunten en afgerond naar boven op het dichtstbijzijnde halve procentpunt, is van toepassing wanneer zij een zakelijke relatie aangaat met een onderneming, ongeacht eventuele andersluidende afspraken tussen de partijen.

Toepassingsgebied en wijzigingen in de betalingstermijnen ingevoerd bij de wet van 14 augustus 2021

De wet van 14 augustus 2021 doet geen afbreuk aan de geest van de regeling die is ingesteld bij de wetten van 2 augustus 2002 en 22 november 2013, namelijk het opleggen van verhoogde verwijlinteresten en een vergoeding voor de gemaakte invorderingskosten als sancties aan in gebreke blijvende debiteuren[8] , maar heeft tot doel deze regeling strenger te maken.

De onderstaande toelichting beperkt zich derhalve tot de wijzigingen en aanpassingen die sinds de inwerkingtreding van de nieuwe regeling zijn doorgevoerd.

Wat het toepassingsgebied betreft, is deze nieuwe wetgeving van toepassing op alle lopende en nieuwe B2B-overeenkomsten, ongeacht de omvang van de onderneming.

Tevens ter verduidelijking bij een onbetaalde factuur, bedraagt de interestvoet bij handelstransacties 10,5%[9] voor de tweede helft van het jaar 2026.

Maximale betalingstermijn

Voortaan mogen de tussen partijen vrij overeengekomen betalingstermijnen niet langer zijn dan zestig (60) kalenderdagen.

Elk contractueel beding dat een langere betalingstermijn voorziet, wordt voor niet-geschreven gehouden. Een contractuele clausule die een langere betalingstermijn voorziet, is derhalve nietig.

In dat geval geldt automatisch de wettelijke betalingstermijn van dertig (30) dagen.

In bepaalde sectoren kunnen echter bij koninklijk besluit uitzonderingen op deze maximale termijn worden vastgesteld.

De afschaffing van de contractuele vaststelling van de datum van ontvangst van de factuur

De schuldeiser en de schuldenaar mogen bij handelstransacties tussen ondernemingen de datum van ontvangst van de factuur niet langer contractueel vastleggen: de betalingstermijn begint te lopen vanaf de ontvangst van de factuur door de schuldenaar en kan niet worden verlengd door het vastleggen van een kunstmatige datum van ontvangst van de factuur door de partijen.

De integratie van de controleprocedure in de betalingstermijn

Voorheen was het mogelijk om een extra termijn vast te stellen voor de controle van de factuur, met inbegrip van de conformiteit van de goederen of diensten met de overeenkomst. Deze termijn is voortaan inbegrepen in de betalingstermijn van dertig (30) (of maximaal zestig (60)) dagen.

Een nieuwe informatieplicht voor de debiteur

De debiteur dient de crediteur uiterlijk op het moment van ontvangst van de goederen of de levering van de diensten alle informatie te verstrekken die nodig is om de factuur op te stellen.

Praktijkvoorbeeld van een B2B-contractclausule

Als gevolg van de invoering van de maximale betalingstermijn van zestig (60) kalenderdagen zijn clausules die het mogelijk maken de betaling tot na deze termijn uit te stellen, voortaan onwettig op grond van de wet van 2 augustus 2002, gewijzigd bij de wet van 14 augustus 2021.

Een veelvoorkomend voorbeeld in de rechtspraak is de zogenaamde „pay-when-paid“-clausule, op grond waarvan de vordering van een contractpartij pas daadwerkelijk opeisbaar wordt zodra de wederpartij door een derde is betaald.

Voorbeeld: „De betaling door de hoofdaannemer aan de onderaannemer van elk bedrag dat uit hoofde van deze overeenkomst verschuldigd is, vindt plaats na de voorafgaande en daadwerkelijke ontvangst door de hoofdaannemer van de desbetreffende gelden die door de opdrachtgever zijn overgemaakt.”

Een dergelijke clausule is niet alleen mogelijk onrechtmatig op grond van de regelgeving inzake oneerlijke B2B-clausules, maar schendt ook de maximale betalingstermijn van zestig kalenderdagen die bij de wet van 14 augustus 2021 is ingesteld.

Conclusie en aanbevelingen

De wens om het betalingsgedrag van ondernemingen te verbeteren is ongetwijfeld legitiem: de coronacrisis heeft onmiskenbaar de moeilijkheden vergroot waarmee ondernemingen, en met name kmo’s, te kampen hebben om hun facturen tijdig betaald te krijgen.

Wij raden ondernemingen aan hun contracten en algemene voorwaarden te controleren en deze, indien nodig, aan te passen aan de hierboven beschreven regels.

In de praktijk moeten bedrijven er rekening mee houden dat zij voortaan minder vrijheid hebben om betalingstermijnen voor facturen overeen te komen. De hervorming van de wet van 2 augustus 2002 stelt alles in het werk om ervoor te zorgen dat bedrijven verplicht worden hun facturen zo snel mogelijk te betalen, en in ieder geval binnen een termijn van 60 dagen.


Mocht u vragen hebben over de gevolgen van deze nieuwe wetgeving voor uw handelscontracten, aarzel dan niet om contact op te nemen met ons team.


[1] Wet van 14 augustus 2021 tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstanden bij handelstransacties: https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article.pl?language=fr&sum_date=2021-08-30&lg_txt=f&pd_search=2021-08-30&s_editie=&numac_search=2021032597&caller=&2021032597=&view_numac=2021032597nx2021032597fr

Wet van 14 augustus 2021 tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstanden bij handelstransacties https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article.pl?language=nl&sum_date=2021-08-30&lg_txt=n&pd_search=2021-08-30&s_editie=&numac_search=2021032597&caller=&2021032597=&view_numac=2021032597fr .

[2] P. Wéry, „De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstanden bij handelstransacties en de gevolgen daarvan voor de regeling inzake boeteclausules”, J.T. 2003, blz. 869.

[3] „Elke transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die tegen vergoeding leidt tot de levering van goederen, het verrichten van diensten of het ontwerpen en uitvoeren van openbare werken en bouw- en civieltechnische werken”.

[4] „Elke organisatie, met uitsluiting van overheidsinstanties, die een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit uitoefent, zelfs wanneer deze activiteit slechts door één persoon wordt uitgeoefend”.

[5] Toelichting, Hoofdstuk herziening, Doc. 50, 1827/001 (2001-2002), blz. 7; verslag van P. Lano, blz. 6.

[6] Richtrentevoet van de ECB sinds 5 juni 2025: 2,15%.

[7] „Elke aanbestedende dienst, (…), ongeacht het voorwerp of de waarde van de opdracht”.

[8] P. Wéry, „De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstanden bij handelstransacties en de gevolgen daarvan voor de regeling inzake boeteclausules”, op. cit., blz. 869.

[9] Basisrente van de ECB sinds 5 juni 2025: 2,15%.

Geschreven door

  • Bart Heynickx

    Partner

  • Thomas Grandjean

    Associate